Onze collectie

koperen blaasinstrumenten

In de deelcollectie ‘koperen blaasinstrumenten’ vindt u in ons museum meerdere instrument 'families':

  • trompet;
  • hoorn;
  • bugel;
  • serpent;
  • zink, en
  • cornet.


We lichten hier meerdere uit. Klik op de desbetreffende afbeeldingen onder de introductie om per instrumentfamilie verder te lezen.


Introductie koperen blaasinstrumenten

Blaasinstrumenten die met een ketelvormig mondstuk met de lippen van de speler tot klinken worden gebracht noemt men koperen blaasinstrumenten, of kort: ‘koper’. De meeste zijn daar dan ook van gemaakt (eigenlijk messing, een koper-zinklegering), maar ook voorlopers zoals serpent* en varianten die traditioneel van hout gemaakt worden zoals midwinterhoorns* en alphoorns* rekent men ertoe.


Bij het musiceren spelen de boventonen*, die door overblazen worden verkregen een uiterst belangrijke rol. Ze kunnen afzonderlijk worden gespeeld door de spanning van de lippen te variëren maar bij elke boventoon klinken ook de andere in zekere mate mee en bepalen zo het timbre, de klankkleur. De mate waarin de diverse boventonen meeklinken wordt bepaald door de diameter van de buis, de wijdte ervan en de openingshoek (de mate waarin de luchtkolom conisch is). (zie ook: Klankkleur, Formanten). In het algemeen is het aantal boventonen dat meedoet groter naarmate de buis langer en in verhouding dunner is. Ook moet het eind altijd conisch zijn; dat wordt elders verduidelijkt. Daarnaast spelen de lippen van de speler een buitengewoon belangrijke rol: iedereen herkent onmiddellijk de toon van Louis Armstrong en Erik Vloeimans!

Toonladder natuurtrompet

Een ruwe indeling is de volgende: trompetten zijn vrijwel geheel cilindrisch (overal even dik) en relatief nauw. Pas op ca. driekwart van de buislengte wordt de buis conisch. Hoorns zijn geheel conisch: direct vanaf het mondstuk neemt de diameter geleidelijk toe, met aan het eind een enorm wijde beker.  Het gevolg is dat de trompet een schelle, schetterende toon geeft en de (wald)hoorn een veel milder, zachter timbre. Tussen deze uitersten in vindt men eerst de cornet à piston die op ca. twee derde vanaf het mondstuk conisch wordt en dan de bugel die dat al op ca. een derde doet. De cornet klinkt vrijwel als een trompet, maar is wat milder van toon en daardoor mengt hij beter in ensembles. De bugel is nog zachtaardiger van toon en daardoor bijvoorbeeld geschikt op harmonieën op te vullen. Hoewel hij zeker de laatste tijd juist een belangrijke solistische functie toebedeeld krijgt. 


Van deze karakteristieken wordt natuurlijk gebruik gemaakt ook bij de lager gestemde instrumenten. Vooral Adolphe Sax (1814-1894), de Belg die zijn werkplaats in Paris had, heeft dat herkend en er gebruik van gemaakt en er ook veel succes mee gehad. Hij ontwierp een samenhangende familie van saxhorns (in Frankrijk, Engeland en America nog steeds zo genoemd): de sopranino is de kleine bugel in Es, de sopraan is de bugel in Bes, alt heet althoorn (weer Es) en dan  tenor in Bes, bas (Es) en contrabas (Bes). De tenor, een octaaf onder de sopraan, behoeft nog enige toelichting: de nauwste heet (in Nederland)  tenorhoorn en is eigenlijk meer een tenorcornet, wijder gebouwd heet hij bariton en de allerwijdste euphonium (‘zachtklinker’). Die blijkt ook zeer geschikt om in harmonie- en fanfareorkesten gevoelige solo’s te vertolken. Als regel zijn de stemmingen (de grondtonen) vanaf de sopranino: om de beurt es’, bes, es, Bes, Es’, Bes’’. Maar ook een f-c-f-c etc. reeks wordt gemaakt.


Op de foto’s zijn links exemplaren zonder ventielen afgebeeld omdat het verloop van de buis daar beter is te zien. Rechts met ventielen.

Trompetten en hoorns

Klik hieronder op de betreffende afbeelding om meer te weten te komen over de specifieke instrumentfamilies.

Share by: